Community Tourism in de Luangwa vallei

De Luangwa vallei in Zambia kent zijn gelijke niet wat betreft wildlife en ander natuurschoon. Reiziger Eric Van den Broele stelde vast dat toerisme er gebruikt wordt als hefboom voor natuurbescherming en ontwikkeling.

 

Wil je de Luangwa vallei doorkruisen om zowel het South Luangwa als het Noord Luangwa National Park aan te doen, dan doe je dat best rustig aan: de pistes zijn bloedmooi en onderweg is er het Nsefu National Park, een weinig gekende parel aan de Zambiaanse natuurparkenkroon. Dit –goedkope- park is minstens een dagbezoek waard. Maar je kunt er rustig twee zelfs drie dagen in rondtoeren.
Kies je voor de rustige aanpak, of zoek je gewoon een degelijk alternatief voor de high-budget kampen dan maak je onderweg gebruik van de drie Community campsites die werkelijk uitstekende service verlenen, schitterend gelegen en goedkoop zijn. Je geld gaat daarenboven recht naar de lokale bevolking. Je hoeft zelfs niet specifiek ‘sociaal gemotiveerd’ te zijn om die kampen uitstekend te vinden: ze zijn gewoon bijzonder goed. Wij verbleven telkens een nacht in drie community kampen, maar ontdekten dat elk kamp voldoende mogelijkheden biedt om er gemakkelijk twee tot drie dagen te verblijven.
Wie North Luangwa bezoekt doet er goed aan in de beide kampen aan de oost- en westgrens, respectievelijk Chifunda en Natwange, te overnachten. Hierdoor kan je al vroeg het Nationale Park in en haal je maximum profijt uit je bezoek. Tijdens je doorsteek van of naar South Luangwa kan je, voor of na een uitgebreid bezoek aan Nsefu National Park overnachten in Mwanya bushcamp.
Natwange is een initiatief van de lokale bevolking en is gespeend van enig netwerk. Chifunda en Mwanya maken deel uit van de It’s Wild Bushcamps en het Comaco netwerk. Een beschrijving van de drie hierboven vernoemde kampen vind je in ons chronologisch reisverslag (ZAM20)  op de dagen 18 (Natwange), 21 (Chifunda) en 22 (Mwanya).
 
It’s Wild Bushcamps en Comaco
 
Zowel Chifunda als Mwanya liggen langs de Luangwa rivier en bevinden zich in GMA’s of ‘Game Management Areas’. Die gebieden liggen net buiten de nationale parken waar men poogt zowel wildleven als bevolking te ondersteunen. Stropen is er uiteraard verboden maar in sommige gebieden kan er - voor veel geld - op specifiek wild worden gejaagd. Elk kamp ligt in een bos- en wildrijk gebied dat qua landschap en vegetatie niet of nauwelijks van de nationale parken is te onderscheiden. De dorpen, waarvan de bewoners de kampen beheren en waarnaar de kampen genoemd zijn, bevinden er zich 10 tot 20 kilometer vandaan. De concentratie aan wildleven is er niet zo hoog als binnen de nationale parken, maar steeds kan men gemakkelijk vanuit het kamp mooie wandelingen maken en is het wildleven er nooit veraf. Zo maakten wij vanuit Mwanya een mooie ochtendwandeling waar we olifant, buffel, nijlpaard, luipaardsporen en een grote variatie aan antilopen en vogels zagen. In Chifunda zagen wij het wildleven probleemloos de Luangwa oversteken. Een kudde olifanten bevond zich op zowat 500 meter buiten het kamp. Chifunda is een goede uitvalsbasis om dagtochten in het North Luangwa National Park te maken. Mwanya is een perfect transitkamp om de volgende ochtend vroeg door te rijden naar Nsefu. .
Samen met de kampbeheerders bespreek je bij aankomst je activiteiten. Dat betekent concreet dat je samen met een gids van het kamp en een officiële, gewapende scout op pad gaat voor mooie natuurwandelingen. De meeste kampbeheerders zijn oud-stropers, sommigen rabiaat bekeerd, anderen iets minder (iemand bekende ons dat hij in het regenseizoen klein wild stroopt om te kunnen overleven). Oud-stropers zijn per definitie uitmuntende gidsen en vertellen boeiende levensverhalen aan het kampvuur. Er bestaat een goede verstandhouding tussen de jachtorganisaties en de bushcamps zodat de natuurbeleving niet wordt gestoord en een en ander veilig kan verlopen: ook de betaalde jacht is een belangrijke bron van inkomsten voor de lokale bevolking.
Op Mfuwe en South Luangwa na is de Luangwa vallei een weinig bezochte regio. Zodra je de valleipiste richting Noord Luangwa inslaat besef je dat de beschaving hier nauwelijks is doorgedrongen. Overigens is die ene piste enkel te berijden tijdens het droge seizoen. De vallei is zowat acht maanden per jaar afgesloten van de buitenwereld. De meeste gezinnen die de vallei bewonen kennen jaarlijks een periode van 3 tot vijf maanden van voedselschaarste en onzekerheid.
De Luangwa vallei is zonder twijfel een van de grootste en belangrijkste ecosystemen van het Afrikaanse continent maar had en heeft nog steeds te lijden van stroperij. Zo werd de zwarte neushoorn tussen 1970 en 1980 op minder dan 10 jaar tijd uitgeroeid en werd de olifantenpopulatie ruim gehalveerd. Daarnaast ontdekten grote multinationals de vallei en de populatie ervan: gemakkelijk land en gemakkelijke werkkrachten om op grote schaal katoen en tabak te verbouwen. Het land werd maximaal ontgonnen met een minimum aan controle. Het gebruik van pesticiden werd opgedreven, hele stukken werden ontbost. De afgelopen 10 jaar werd katoen hét product van de vallei. De plantages bereiken nu de wildgebieden en de waterplateaus. Katoenteelt put de landbouwgrond op enkele jaren volledig uit, zodat de boeren op dit ogenblik de hellingen ontbossen. Hierdoor versnelt de erosie, vruchtbare landbouwgrond wordt weggespoeld en de waterhuishouding van het gebied raakt in de war. De economische verliezen zijn nog niet berekend, maar daarom niet minder reëel.
Een organisatie die daar iets tracht aan te doen is Comaco (Community Markets for Conservation). Comaco zette ondermeer de It’s Wild bushcamps op en kiest voor een vernieuwende aanpak waarbij zowel de mens als het wild naast elkaar kunnen leven. Voor en door de lokale bevolking worden kansen en inkomstenbronnen gecreëerd op basis van natuurbehoud. Telkens we met lokale mensen spreken komt één zin terug: “een olifant doodschieten brengt één keer op. Een levende olifant kan door vele toeristen worden gezien en brengt lange tijd veel keer op.” De Comaco-werking steunt op de vaststelling dat honger en armoede leiden tot praktijken die destructief zijn voor landschap en natuurbehoud. Precies om de noodzakelijke levensbehoefte te lenigen worden vaak de waterhuishouding, het wild en de gronden destructief bewerkt.
 
Comaco is dan ook een model dat mikt op de ontwikkeling van het platteland waarbij een totaalaanpak én natuurbeheer essentiëel zijn. Centraal hierbij is een coöperatieve die in handen is van de lokale bevolking en geregistreerd staat als een soort vzw. Via de coöperatie kunnen de lokale boeren betere prijzen krijgen voor hun productie. Tegelijk worden ze ondersteund opdat ze hun landbouwmethodes verbeteren. Hierbij wordt er nauwkeurig op gelet dat zij enkel methodes gebruiken die het natuurbehoud in de hand werken. Het land wordt onder meer gebruikt om aan wildteelt te doen. Boeren worden gestimuleerd om gewassen te telen dat er specifiek op gericht is conflicten tussen lokale bevolking en wildleven tegen te gaan. Typisch voorbeeld hierbij is het aanplanten van peperplantjes rond de dorpen. De vruchten van de peperplantjes hebben een hoge waarde, zijn vrij gemakkelijk te kweken, en gemakkelijk op te slaan en te vervoeren. Tegelijk betekent de aanleg van een peperveld een uiterst efficiënte barrière tegen olifanten, waardoor de dorpen gespaard worden van olifantenraids.
De bevolking die deelneemt aan de coöperatieve moet er zich toe verbinden elke vorm van stroperij te bannen. Op enkele jaren tijd is men er zo in geslaagd het gedragspatroon van duizenden gezinnen in de vallei, waar heel wat wildleven verzameld is, bij te sturen. Tegelijk wordt erop gelet de belangrijke waterhuishouding van de vallei niet aan te tasten.
De inkomsten van de coöperatieve vloeien terug naar de bevolking: uit de winsten worden reserves opgebouwd die worden geïnvesteerd in programma’s die de voedselzekerheid, een hoger inkomen uit de plattelandswerking en een beter natuurbeheer moeten bevorderen. De coöperatieve groeit gestaag en slaagt erin zichzelf volledig te financieren.
(Het uitgebreide reisverslag van Eric Van den Broele (ZAM20) vind je in de databank reisverslagen op www.wegwijzer.be)